Op de Grote en Heilige Donderdag staan twee gebeurtenissen centraal: het Laatste Avondmaal van Christus met Zijn Leerlingen en het verraad van Judas. Het uitgangspunt van beide is liefde.

Het Laatste Avondmaal is de ultieme openbaring van Gods verlossende liefde voor de mensheid, van liefde als de essentie van de Verlossing. En het verraad van Judas onthult dat zonde, dood en zelfvernietiging ook te wijten zijn aan de liefde, maar dan aan een afwijkende en misvormde liefde; een liefde, die gericht is op dat wat de naam liefde niet verdient.

“Het was de dag voor het Pascha, Jezus wist dat Zijn uur gekomen was om uit deze wereld naar de Vader te gaan, Hij had de Zijnen liefgehad, die in de wereld waren, maar nu had Hij hun lief tot het uiterste …” (Johannes 13:1). Om de betekenis van het Laatste Avondmaal te begrijpen, moeten we het beschouwen als het einde van de grote beweging van de Goddelijke Liefde, die begon met de schepping van de wereld en nu moet worden voltooid in de dood en de opstanding van Christus.

God is liefde (1 Johannes 4:8). En het eerste geschenk van deze liefde was het leven. De betekenis, de inhoud van het leven was een gemeenschap te zijn. De mens ontving zijn voedsel van God, hij bood de hele wereld aan God aan, veranderde het in leven in God en met God. De liefde van God gaf leven aan de mens, de liefde van de mens voor God veranderde dit leven in gemeenschap met God. Dit was het paradijs. Het leven daarin was inderdaad eucharistisch. Door de mens en zijn liefde voor God moest de hele schepping geheiligd en getransformeerd worden tot één allesomvattend sacrament van deze Goddelijke Tegenwoordigheid en de mens was de priester van dit sacrament.

Maar door de zonde verloor de mens dit eucharistische leven. Hij verloor het omdat hij de wereld niet meer zag als een middel om met God in gemeenschap te staan en zijn leven te beleven als eucharistie, als aanbidding en dankzegging. Hij houdt van zichzelf en hij houdt van de wereld ten behoeve van zijn eigen welbevinden; hij maakte zichzelf tot doel en zin van zijn leven. Hij dacht dat zijn honger en dorst, d.w.z. zijn afhankelijkheid van zijn leven aan de wereld , door de wereld als zodanig kon worden bevredigd, door voedsel als zodanig. Maar wanneer aan de wereld en het voedsel de oorspronkelijke sacramentele betekenis worden ontnomen – dit betekent: als middel tot gemeenschap met God; dus: als de wereld en het voedsel niet meer worden ontvangen omwille van God; als zij niet meer hongeren en dorsten naar God; als God niet meer de echte “inhoud”is, dan kan zij geen leven geven en ook geen honger stillen, want zij hebben het leven niet in zichzelf …

En dus door zijn eigen liefde erin te stoppen, week de mens af van Zijn ware liefde. En hij stierf. Want de dood is de onontkoombare “ontbinding” van het ware Leven. De mens dacht leven te vinden in de wereld en in voedsel, maar hij vond de dood. Zijn leven werd gemeenschap met de dood. Want in plaats van de wereld door geloof, liefde en aanbidding te transformeren in gemeenschap met God, gaf hij zichzelf volledig over aan de wereld; hij hield op priester van de wereld te zijn en werd zijn slaaf. En door zijn zonde werd de gehele wereld tot een begraafplaats gemaakt, waar mensen die stierven, deel uitmaakten aan “hen die gezeten waren in het land en de schaduw des doods” (Matt. 4:16).

God bleef de mens trouw. “Gij hebt U niet geheel en al afgewend van Uw schepsel, en het werk van Uw handen niet vergeten. In Uw innige erbarming hebt Gij hem bezocht op velerlei wijze” (Liturgie van H. Basilius). Er begon een nieuw Goddelijk werk, namelijk dat van de verlossing. Om de mens te herstellen naar zijn ongerepte schoonheid en om het leven te herstellen tot gemeenschap met God, werd God mens in Christus. In Hem werd het leven geopenbaard, gegeven, aanvaard en vervuld als een totale en volmaakte Eucharistie, als totale en volmaakte gemeenschap met God. Hij verwierp de fundamentele menselijke verleiding: om “alleen van brood te leven”; Hij openbaarde dat God en Zijn koninkrijk het echte voedsel zijn, het echte leven van de mens. En dit volmaakte eucharistische Leven, vervuld met God, en daarom Goddelijk en onsterfelijk, gaf Hij aan allen die in Hem zouden geloven, d.w.z. in Hem de betekenis en de inhoud van hun leven vinden. Dit is de prachtige betekenis van het Laatste Avondmaal. Hij bood Zichzelf aan als het ware voedsel van de mens, omdat het in Hem het geopenbaarde Leven het ware Leven is.

De Goddelijke Liefde begon in het paradijs met “neem, eet ..”, want het eten betekent leven voor de mens. Bij het Laatste Avondmaal wordt dit Goddelijke getransformeerd in “neem, eet, dit is Mijn Lichaam …”, want God is het leven voor de mens. Het Laatste Avondmaal is het herstel van het paradijs van gelukzaligheid, van het leven als Eucharistie en Communie.

Maar dit uur van ultieme liefde is ook dat van het ultieme verraad. Judas verlaat het licht van de Bovenkamer en gaat de duisternis in. “En het was nacht” (Johannes 13:30). Waarom gaat hij weg? Omdat hij liefheeft. Zijn noodlottige liefde wordt keer op keer bezongen in de lofzangen van Heilige Donderdag. Het maakt niet uit, dat hij van het “zilver” houdt. Geld staat hier voor alle afwijkende en vervormde liefde die de mens ertoe brengt God te verraden. Het is zeker de gestolen liefde van God en daarom is Judas de Dief. De mens is immers geschapen om lief te hebben; de liefde zit in zijn aard. Maar wanneer hij God niet liefheeft, houdt de mens nog steeds van en verlangt hij nog steeds, maar het is dan een donkere en zelfvernietigende passie en de dood is dan aan zijn einde. Elk jaar wanneer we de Heilige Donderdag vieren, wordt ons keer op keer die belangrijke vraag gesteld: reageer ik op de liefde van Christus en accepteer ik Hem als mijn leven, of volg ik Judas in de duisternis van zijn nacht?

Op de Grote en Heilige Vrijdag stierf Christus aan het kruis. Hij gaf Zijn geest met de woorden: “Het is volbracht” (Johannes 19:30). Hij had het werk verricht waarvoor Zijn hemelse Vader Hem in de wereld had gezonden. Hij werd een man in de volle zin van het woord. Hij aanvaardde de doop van bekering van Johannes in de Jordaan. Hij nam de hele menselijke gestalte aan en ervoer al zijn vervreemding, pijn en lijden, eindigend met de nederige dood aan het kruis. Hij vervulde perfect de profetie van Jesaja: “Daarom zal Ik hem zeer velen ten deel geven; de buit der machtigen zal Hij delen, omdat Hij Zijn ziel heeft overgeleverd aan de dood, omdat Hij Zich onder de misdadigers heeft laten rekenen, omdat Hij de zonden van velen gedragen, en voor de overtreders gebeden heeft” (Jesaja 53:12)

Toen het einde naderde, riep Hij: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?” (Matteüs 27:46). Deze schreeuw duidde op Zijn volledige identificatie met de menselijke natuur. Hij had de verlaten en verachte toestand van het lijden en de dood – als vervreemding van God – volledig omarmd.

Toch is het belangrijk om op te merken dat Jezus’ schreeuw van angst aan het kruis geen teken was van Zijn verlies van Zijn geloof in Zijn Vader. De woorden die Hij uitriep is het eerste vers van Psalm 22, een messiaanse Psalm. Het eerste deel van deze Psalm voorspelt de angst, het lijden en de dood van de Messias. Het tweede deel is een loflied over God. Het voorspelt de uiteindelijke overwinning van de Messias.

De Grote en Heilige Zaterdag is de dag waarop Christus uitrustte in het graf. De kerk noemt deze dag de Gezegende Sabbat. “De grote Mozes voorspelde deze dag mystiek toen hij zei: God zegende de zevende dag. Dit is de gezegende sabbat Dit is de rustdag, waarop de eniggeboren Zoon van God rustte van al Zijn werken….” (Vesperale Liturgie van Heilige Zaterdag)

Door deze titel te gebruiken verbindt de Kerk Heilige de Zaterdag met de scheppingsdaad van God. In het eerste verhaal van de schepping schiep God de mens naar Zijn eigen beeld en gelijkenis. Om echt zichzelf te zijn, moest de mens in constante gemeenschap leven met de bron en de dynamische kracht van dit beeld: God. Door de zonde ontviel de mens van God. Nu is Christus, de Zoon van God door wie alle dingen zijn geschapen, gekomen om de mens weer in gemeenschap met God te herstellen. Daarmee voltooit hij de schepping. Alle dingen zijn weer zoals ze zouden moeten zijn. Zijn missie is voltooid. Op de Gezegende Sabbat rust Hij uit van al het goede werk, dat Hij heeft volbracht.

We zingen in het Paastroparion dat Christus door Zijn dood de dood heeft vertreden. Deze zin geeft een grote betekenis aan de Heilige Zaterdag. De rust van Christus in het graf is een “actieve” rust. Hij gaat op zoek naar Zijn gevallen vriend, Adam, die alle mensen vertegenwoordigt. Zonder hem op aarde te vinden, daalt hij af naar het rijk des doods; in het Oude Testament Hades genoemd. Daar vindt Hij Adam en brengt hem weer tot leven. Dit is de overwinning: de doden krijgen leven. Het graf is niet langer een verlaten, levenloze plek. Door Zijn dood vertreedt Christus de dood door de dood.

Op zondag vieren wij het Heilig Pascha: Het Feest der Feesten: De Opstanding van onze Heer: “Komt allen genieten van het feestmaal des geloofs. Komt allen genieten van de rijkdom der goedertierenheid” (Preek van H. Johannes Sint-Jan Chrysostomus, gelezen in de Paasmetten)

De Opstanding van Jezus Christus uit de dood is de kern van het christelijk geloof. De heilige Paulus zegt dat als Christus niet uit de dood was opgewekt, onze prediking en geloof ijdel zijn (1 Kor. 15:14). Zonder de Opstanding zou er geen christelijke prediking of geloof zijn. De Leerlingen van Christus gingen nergens heen en predikten niets totdat ze de verrezen Christus ontmoetten (Johannes 20: 19). Toen raakten zij de wonden van de spijkers en de speer aan; zij aten en dronken met Hem. De opstanding werd de basis van alles wat ze zeiden en deden (Handelingen 2-4): ” … een geest heeft immers geen vlees en beenderen zoals ge ziet dat Ik heb” (Lucas 24:39). De opstanding openbaart Jezus van Nazareth als niet alleen de verwachte Messias van Israël, maar ook als de Koning en Heer van een nieuw Jeruzalem: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. “Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde … de heilige stad, het Nieuw Jeruzalem … Toen ik hoorde een machtige stem vanuit de troon die zeide: “Zie, Gods woonplaats onder de mensen. Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn … En Hij zal alle tranen wegwissen uit hun ogen. De dood zal er niet meer zijn, geen verdriet, noch gejammer, noch smart zal er meer zijn: want de eerste dingen zijn voorbijgegaan” (Openb. 21:1-4).

In Zijn dood en Opstanding verslaat Christus de laatste vijand, de dood, en vervult daarmee het mandaat van Zijn Vader om alle dingen onder Zijn voeten te onderwerpen (1 Kor. 15:24-26). “Waardig is het Lam dat geslacht is, te ontvangen macht en rijkdom en wijsheid en kracht en eer en heerlijkheid en lof” (Openb. 5: 12)

De Opstanding van Christus, het centrum van het christelijk geloof, is de basis van het liturgische leven van de kerk en het ware model voor alle vieringen. “Dit is de beroemde Dag, de eerste der feestdagen: aller koning en heer, der feesten feest en plechtigheid, waar wij Christus zegenen, tot in de eeuwen” (8e Irmos Paascanon).

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.